deel
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- deel
Woordherkomst en -opbouw
|
|
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | deel | delen |
| verkleinwoord | deeltje | deeltjes |
Zelfstandig naamwoord
[A] deel o
- een afsplitsing van een hoeveelheid, maat of gewicht, van een geheel waarbij samenstelling, functies of eigenschappen gelijk zijn of buiten beschouwing blijven (kenmerkend is dat de soortnaam van het geheel en de afgesplitsing gelijk is)
- Een deel van een pak suiker.
- een meeteenheid bij vloeistoffen en stoffen in poedervorm
- metselspecie is een mengsel van één deel bindmiddel, drie delen fijn zand en één deel water.
Synoniemen
Antoniemen
Verwante begrippen
- Voor deel, verkregen door splitsing in ongelijksoortige delen, zie onderdeel
- Voor deel op atomair niveau, zie deeltje
Uitdrukkingen en gezegden
- [1]: het overgrote deel
Vertalingen
1. een afsplitsing van een geheel
het overgrote deel
|
het overgrote deel
|
Zelfstandig naamwoord
- een werkruimte in de stal of schuur van een boerderij
- De familie zat op de deel.
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| delen |
deel
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van delen
- Ik deel.
- gebiedende wijs van delen
- Deel!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van delen
- Deel je?
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.