deel

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • deel
Woordherkomst en -opbouw
  • afkomstig van:
Middelnederlands: deel
Oudnederlands: dēl
Germaans: *dailan
Indo-Europees: *dʰAilom
  • Verwant in Germaans:
West: Engels: dole (Angelsaksisch: dāl), Duits: Teil, (Oudhoogduits: teil), Fries: deel, diel (Oudfries: dēl)
Oost: Gotisch: dail
enkelvoud meervoud
naamwoord deel delen
verkleinwoord deeltje deeltjes

Zelfstandig naamwoord

[A] deel o

  1. een afsplitsing van een hoeveelheid, maat of gewicht, van een geheel waarbij samenstelling, functies of eigenschappen gelijk zijn of buiten beschouwing blijven (kenmerkend is dat de soortnaam van het geheel en de afgesplitsing gelijk is)
    Een deel van een pak suiker.
  2. een meeteenheid bij vloeistoffen en stoffen in poedervorm
    metselspecie is een mengsel van één deel bindmiddel, drie delen fijn zand en één deel water.
Synoniemen
Antoniemen
Verwante begrippen
  • Voor deel, verkregen door splitsing in ongelijksoortige delen, zie onderdeel
  • Voor deel op atomair niveau, zie deeltje
Uitdrukkingen en gezegden
  • [1]: het overgrote deel
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

[B] deel v/m

  1. een werkruimte in de stal of schuur van een boerderij
    De familie zat op de deel.
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
delen

deel

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van delen
    Ik deel.
  2. gebiedende wijs van delen
    Deel!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van delen
    Deel je?

Meer informatie