instorten

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • in·stor·ten
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
instorten
stortte in
ingestort
zwak -t volledig

Werkwoord

instorten

  1. (ergatief) zwichten voor de zwaartekracht
    Dat huis is ingestort nadat het getroffen was door een wervelwind.
Vertalingen