inhalen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- in·ha·len
Woordherkomst en -opbouw
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| inhalen |
haalde in |
ingehaald |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
inhalen
- (overgankelijk) binnen of binnenboord brengen
- 's Nachts wordt het net ingehaald en wordt de vangst meteen verwerkt.
- (overgankelijk) een achterstand (meer dan) goed maken
- Hij had de man die op kop lag bijna ingehaald.
Antoniemen
- [1] uitwerpen