hoofd

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • hoofd
Woordherkomst en -opbouw
  • afkomstig van:
Middelnederlands: hovet
Oudnederlands: hōvit
Germaans: *haubudan
Indo-Europees: *káput
  • Verwant in Germaans:
West: Engels: head (Angelsaksisch: hēafod), Duits: Haupt, (Oudhoogduits: houbit), Fries: haed, haude (Oudfries: hāved, hāfd)
Noord: Zweeds: huvud, Deens: hoved, Noors: hode, (Oudnoors: haufuð), IJslands: höfuð, Faeröers: høvd
Oost: Gotisch: haubiþ
enkelvoud meervoud
naamwoord hoofd hoofden
verkleinwoord hoofdje hoofdjes

Zelfstandig naamwoord

hoofd o

  1. (anatomie) een belangrijk lichaamsdeel, helemaal bovenaan het lichaam, waarin zich de hersenen en de meeste zintuigen bevinden
    Vroeger werden misdadigers van het hoofd ontdaan.
  2. het hoogste of het voorste deel
    Aan het hoofd van de tafel stond een beeldje.
  3. iemand die gezag heeft over anderen
    Hij is het hoofd van de afdeling.
  4. (waterstaat) een haaks op een rivieroever of kust aangelegde krib, dam, golfbreker of (wandel-) pier
    Op de hoofden zijn altijd wel hengelaars aan het vissen.
1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8,
9, 10, 11, 12, 13, 14
15, 16, 17, 18, 19
Synoniemen
Verwante begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • iets over het hoofd zien
  • uit hoofde van
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Meer informatie