hoofd
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- hoofd
Woordherkomst en -opbouw
|
|
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | hoofd | hoofden |
| verkleinwoord | hoofdje | hoofdjes |
Zelfstandig naamwoord
hoofd o
- (anatomie) een belangrijk lichaamsdeel, helemaal bovenaan het lichaam, waarin zich de hersenen en de meeste zintuigen bevinden
- Vroeger werden misdadigers van het hoofd ontdaan.
- het hoogste of het voorste deel
- Aan het hoofd van de tafel stond een beeldje.
- iemand die gezag heeft over anderen
- Hij is het hoofd van de afdeling.
- (waterstaat) een haaks op een rivieroever of kust aangelegde krib, dam, golfbreker of (wandel-) pier
- Op de hoofden zijn altijd wel hengelaars aan het vissen.
Synoniemen
- [1] bol, harses, kanis, kersenpit, knar, kop
- [4] krib, havendam, pier, steiger, wandelpier
- [1] hoofde, waterhoofd
- [4] havenhoofd, wandelhoofd
Verwante begrippen
- [4] brug, dam, dijk, golfbreker
Uitdrukkingen en gezegden
- iets over het hoofd zien
- uit hoofde van
Hyponiemen
- achterhoofd, balkhoofd, briefhoofd, bruggenhoofd, doodshoofd, dwaashoofd, havenhoofd, heethoofd, koorhoofd, landhoofd, opperhoofd, staatshoofd, strandhoofd, strottenhoofd, voorhoofd, zeehoofd
Afgeleide begrippen
Vertalingen
1. een belangrijk lichaamsdeel, helemaal bovenaan het lichaam, waarin zich de hersenen en de meeste zintuigen bevinden
|
3. iemand die gezag heeft over anderen
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.