inoculeren

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • in·o·cu·le·ren
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
inoculeren
inoculeerde
geïnoculeerd
zwak -d volledig

Werkwoord

inoculeren

  1. (biochemie) enten van bacteriën of schimmels op een voedingsbodem
Afgeleide begrippen
Vertalingen
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen