periode
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- pe·ri·o·de
Woordherkomst en -opbouw
- Afgeleid uit het Oudgriekse περί (peri) «rond, omheen» en ὁδός (hodos) «weg, pad».
Zelfstandig naamwoord
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | periode | perioden/periodes |
| verkleinwoord | periodetje | periodetjes |
periode v
- bepaald tijdsbestek.
- Na de ontdekking van de zeeweg naar Indië volgde er een periode van grote bloei voor Portugal.
- (medisch) menstruatie.
- Zij heeft bijzonder veel last van haar periode.
- (wiskunde) interval waarin een functie zich herhaalt.
- De sinus en cosinus zijn functies met een periode van 2π.
- (scheikunde) onderdeel van de classificatie van elementen in het periodiek systeem.
- Zwavel en zuurstof zijn elementen die tot dezelfde groep maar een andere periode behoren.
- (geologie) een tijdperk dat deel uitmaakt van een era en bestaat uit subperiodes en tijdvakken.
- het krijt en het jura zijn periodes van het era mesozoïcum.
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen
1. tijdperk
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.