periode

Uit WikiWoordenboek

Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • pe·ri·o·de
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid uit het Oudgriekse περί (peri) «rond, omheen» en ὁδός (hodos) «weg, pad».

Zelfstandig naamwoord

enkelvoud meervoud
naamwoord periode perioden/periodes
verkleinwoord periodetje periodetjes

periode v

  1. bepaald tijdsbestek.
    Na de ontdekking van de zeeweg naar Indië volgde er een periode van grote bloei voor Portugal.
  2. (medisch) menstruatie.
    Zij heeft bijzonder veel last van haar periode.
  3. (wiskunde) interval waarin een functie zich herhaalt.
    De sinus en cosinus zijn functies met een periode van 2π.
  4. (scheikunde) onderdeel van de classificatie van elementen in het periodiek systeem.
    Zwavel en zuurstof zijn elementen die tot dezelfde groep maar een andere periode behoren.
  5. (geologie) een tijdperk dat deel uitmaakt van een era en bestaat uit subperiodes en tijdvakken.
    het krijt en het jura zijn periodes van het era mesozoïcum.
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Meer informatie

Persoonlijke instellingen