tijd
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- tijd
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | tijd | tijden |
| verkleinwoord | tijdje | tijdjes |
Zelfstandig naamwoord
tijd m
- de onstuitbare gang der dingen van toekomst door het heden naar het verleden.
- Doorheen de tijd heeft de aarde al heel wat evoluties meegemaakt.
Verwante begrippen
- m: destijds, ten tijde van, te allen tijde
- v: te zijner tijd, toentertijd
- tijdelijk, tijdig; tijdsduur, tijdstip, tijdvak
Vertalingen
1.
Bijwoord
tijd
- bijwoordelijk deel van een scheidbaar werkwoord
- tijdrekken: Je zit alleen maar tijd te rekken.
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.