buiten
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
- Geluid: buiten (hulp, bestand)
- IPA:
- (Noord-Nederland): /ˈbœʏ̯tə(n)/, /ˈbʌʏ̯tə(n)/
- (Vlaanderen, Brabant, Limburg): /ˈbœːtə(n)/
Woordafbreking
- bui·ten
Woordherkomst en -opbouw
|
|
Voorzetsel
buiten
- niet ingesloten in het genoemde
- Hij woont buiten de stad.
Vertalingen
| vnw. bijw. | ||
|---|---|---|
| voorzetselbijwoord | buiten | |
| persoonlijk | erbuiten | |
| aanwijz. | nabij | hierbuiten |
| veraf | daarbuiten | |
| vragend/betrekk. | waarbuiten | |
Bijwoord
buiten
- 1. bijwoordelijk deel van een scheidbaar werkwoord:
- buitensluiten: Hij sloot de kat buiten.
- 2. prepositionaal deel van een voornaamwoordelijk bijwoord:
- Hij staat er al jaren buiten.