voor
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
- In sommige betekenissen heeft het woord de klemtoon, in andere niet. De klemtoon kan aangegeven worden door vóór te schrijven.
Woordafbreking
- voor
Voorzetsel
voor
- dichterbij dan (gezien vanaf de spreker of anderszins).
- Er hangen wolken voor de zon.
- aan de voorkant.
- Bob hangt iedere avond uren voor de televisie.
- Piet parkeert zijn auto voor de winkel.
- eerder komend in de bewegingsrichting.
- Je moet voor de kerk linksaf slaan.
- eerder in tijd.
- We moeten boodschappen doen voor sluitingstijd.
- eerder in volgorde.
- De koningin kwam vóór de andere gasten binnen.
- eerder in rangorde.
- Toen stond PSV vóór Ajax en Feyenoord in de eredivisie.
- ten behoeve van, ten gunste van (datief).
- Hij geeft cursussen voor beginners en gevorderden.
- Kunt u dit voor mij inpakken?
- eens met, positief tegenover, ten gunste van, pro.
- Het raadslid stemde vóór het voorstel.
- wat betreft, met betrekking tot, aangaande.
- Hij is bang voor muizen.
- Yolanda kreeg een tien voor taal.
- tegen de prijs van, ten bedrage van, tegen.
- Bij ons krijgt u twee bossen rozen voor 10 euro.
- Ik ruilde met de buurjongen tien knikkers voor een bal.
- in plaats van, ter vervanging van.
- Voor jou tien anderen! schreeuwde de ontevreden werkgever.
- lijkend op, beschouwd als.
- De overvallers lieten het slachtoffer voor dood liggen.
- Ik hield die man in uniform ten onrechte voor de portier.
Synoniemen
- [3] eerder dan
- [4] eerder dan
- [5] eerder dan
- [6] hoger dan
- [7] ten behoeve van, (vaak kan dit 'voor' worden weggelaten)
- [8] ten gunste van
- [10] tegen
- [11] in plaats van
Antoniemen
Vertalingen
1. dichterbij dan
4. eerder in tijd
7. ten behoeve van, ten gunste van
Voegwoord
voor
- onderschikkend: voordat, aleer, eerder in tijd dan.
- Voor hij het doorhad, ging het al mis.
- Je mag geen auto rijden voor je achttien bent.
Synoniemen
| vnw. bijw. | |
|---|---|
| voorzetselbijwoord | voor |
| neutraal | ervoor |
| nabij | hiervoor |
| veraf | daarvoor |
| vragend | waarvoor |
Bijwoord
voor
- aan de voorkant.
- In de auto zit ik altijd vóór.
- (predicatief) eens, positief
- Bent u vóór of tegen?
- bijwoordelijk deel van een scheidbaar werkwoord
-
- voorkomen: Deze zaak komt volgende week vóór.
-
- prepositionaal deel van een voornaamwoordelijk bijwoord
-
- ervoor: Hij gaat er morgen de bak voor in.
-
Synoniemen
Afgeleide begrippen
- vooraan, voorin, voorop, vooraf, vooruit
- voordoen, voorgaan, voorlopen, voorproeven, voorspellen, voorstaan, voorstellen
- voorbeeld, voorkamer, voorkant, vooronder, voorruit, voorteken, voorzijde
Spreekwoorden
- voor de hand liggen: zie hand
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | voor | voren |
| verkleinwoord | voortje | voortjes |
Zelfstandig naamwoord
- een met een ploeg gemaakte greppel in de aarde.
- Hij zaaide graan in de voren.