bij

Uit WikiWoordenboek

Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bij
enkelvoud meervoud
naamwoord bij bijen
verkleinwoord bijtje bijtjes

Zelfstandig naamwoord

bij

  1. (insect) benaming voor diverse insecten, in het bijzonder de honingbij Apis mellifica.
Verwante begrippen
Vertalingen

Meer informatie


Bijwoord

  vnw. bijw.
  voorzetselbijwoord     bij  
  neutraal     erbij  
  nabij     hierbij  
  veraf     daarbij  
  vragend     waarbij  

bij

  1. bijwoordelijk deel van een scheidbaar werkwoord
    bijwerken: hij werkte alle bestanden bij
  2. prepositionaal deel van een voornaamwoordelijk bijwoord
    erbij: hij heeft er weinig bij op te merken.
  3. op het actuele punt, op gelijke hoogte.
    Jan was weer bij met de rest van de klas.

Voorzetsel

bij

  1. in de buurt van (meestal in een ondergeschikte positie).
    De boom staat bij het huis.
  2. op de plaats behorende tot.
    De vereniging vergaderde bij de heer De Vries.
  3. tijdens, gedurende.
    bij leven was hij smid.
  4. op het moment van.
    bij het horen van deze woorden.
  5. in de omstandigheid van.
    bij nacht en ontij.
  6. in geval van.
    bij onvoldoende aanmeldingen wordt de bijeenkomst afgezegd.
  7. door, als gevolg van.
    bij toeval.
  8. in toestand van.
    bij zinnen.
    bij volle verstand.
Teruggeplaatst van "http://nl.wiktionary.org/wiki/bij"
Persoonlijke instellingen