bij
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- bij
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | bij | bijen |
| verkleinwoord | bijtje | bijtjes |
Zelfstandig naamwoord
bij
Verwante begrippen
Vertalingen
1.
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
Bijwoord
| vnw. bijw. | |
|---|---|
| voorzetselbijwoord | bij |
| neutraal | erbij |
| nabij | hierbij |
| veraf | daarbij |
| vragend | waarbij |
bij
- bijwoordelijk deel van een scheidbaar werkwoord
- bijwerken: hij werkte alle bestanden bij
- prepositionaal deel van een voornaamwoordelijk bijwoord
- erbij: hij heeft er weinig bij op te merken.
- op het actuele punt, op gelijke hoogte.
- Jan was weer bij met de rest van de klas.
Voorzetsel
bij
- in de buurt van (meestal in een ondergeschikte positie).
- De boom staat bij het huis.
- op de plaats behorende tot.
- De vereniging vergaderde bij de heer De Vries.
- tijdens, gedurende.
- bij leven was hij smid.
- op het moment van.
- bij het horen van deze woorden.
- in de omstandigheid van.
- bij nacht en ontij.
- in geval van.
- bij onvoldoende aanmeldingen wordt de bijeenkomst afgezegd.
- door, als gevolg van.
- bij toeval.
- in toestand van.
- bij zinnen.
- bij volle verstand.