insgelijks

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ins·ge·lijks

Bijwoord

insgelijks

  1. eveneens, hetzelfde
    Ik wens je insgelijks een gezegend kerstfeest.

Tussenwerpsel

insgelijks

  1. gewoonlijk na een wens of groet: hetzelfde
    Vrolijk kerstfeest! Insgelijks!
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen