insgelijks
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- ins·ge·lijks
Bijwoord
insgelijks
- eveneens, hetzelfde
- Ik wens je insgelijks een gezegend kerstfeest.
Tussenwerpsel
insgelijks
- gewoonlijk na een wens of groet: hetzelfde
- Vrolijk kerstfeest! Insgelijks!