kleur
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- kleur
Woordherkomst en -opbouw
|
|
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | kleur | kleuren |
| verkleinwoord | kleurtje | kleurtjes |
Zelfstandig naamwoord
kleur v
- het onderscheid dat gemaakt wordt op basis van het verschil in golflengte van licht
Hyponiemen
- aalbeskleur, driekleur, fuchsiakleur, gelaatskleur, klankkleur, roetkleur, schoppenkleur, sepiakleur, toonkleur
Afgeleide begrippen
Kleuren in het Nederlands (nld) (de kleuren zijn slechts indicatief) (zie ook: RAL-kleuren)
Spreekwoorden
- een kleur krijgen
- iets in geuren en kleuren vertellen
- kleur bekennen
Vertalingen
1. het onderscheid dat gemaakt wordt op basis van het verschil in golflengte van licht
|
|
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| kleuren |
kleur
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kleuren
- Ik kleur.
- gebiedende wijs van kleuren
- Kleur!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kleuren
- Kleur je?
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.