inspraak

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • in·spraak
enkelvoud meervoud
naamwoord inspraak -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

inspraak m

  1. de kans om zijn mening te uiten
    De burgemeester heeft inspraak in die beslissing.

Meer informatie

Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen