inbraak
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- in·braak
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | inbraak | inbraken |
| verkleinwoord | inbraakje | inbraakjes |
Zelfstandig naamwoord
inbraak m
- het zich onbevoegd toegang verschaffen tot een gebouw
- Het aantal inbraken in deze wijk is erg hoog.