inkomen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- in·ko·men
Woordherkomst en -opbouw
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| inkomen |
kwam in |
ingekomen |
| klasse 4 | volledig | |
Werkwoord
inkomen
- (ergatief) binnendringen in een afgesloten ruimte
- De regen is via het plafond de kamer ingekomen.
- zich verplaatsen in iemands gedachtengang
- Ja, daar kan ik wel inkomen.
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | inkomen | inkomens |
| verkleinwoord | inkomentje | inkomentjes |
Zelfstandig naamwoord
inkomen o
- (economie) regelmatig verkregen som geld
- Net nadat mijn inkomen was gestort heb ik een nieuwe computer gekocht.