inloggen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- in·log·gen
Woordherkomst en -opbouw
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| inloggen |
logde in |
ingelogd |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
inloggen
- (inergatief) Verbinding bewerken met een centrale computer via modem of toetsenbord op afstand
- Dat inloggen was zo gepiept. Helaas betrof het een ingelogde vandaal.