zetten
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- zet·ten
Woordherkomst en -opbouw
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| zetten |
zette |
gezet |
| zwak -t | volledig | |
Werkwoord
zetten
- op een bepaalde wijze schikken
- (m.b.t. koffie of thee) bereiden, klaarmaken
- iets neerschrijven
- Hij zette zijn handtekening onder het document.
- vastzetten
- (wederkerend), (België) plaatsnemen, gaan zitten
- (oude ambacht bij het ontstaan van de boekdrukkunst) letters naast elkaar plaatsen zodat meerdere afdrukken van een document gemaakt kunnen worden
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
- [1]: aan de kant zetten
- al zijn geld op één kaart zetten
- [1]: iemand aan de deur zetten
- iemand een hak zetten
- [1]: iemand in de bloemetjes zetten
- iets op de kaart zetten
- klem zetten
- op individueel regime zetten
- voet aan wal zetten
aan wal gaan
Vertalingen
aan de kant zetten
|
iemand in de bloemetjes zetten
|
klem zetten
|
op individueel regime zetten
|
Zelfstandig naamwoord
zetten mv
- meervoud van het zelfstandig naamwoord zet