inlaten
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- in·la·ten
Woordherkomst en -opbouw
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| inlaten |
liet in |
ingelaten |
| klasse 7 | volledig | |
Werkwoord
inlaten
- (wederkerend) zich ~ met bemoeienis hebben met iets of iemand
- Hij liet zich daar niet mee in.
- (overgankelijk) iemand verwelkomen bij de deur
- Wil jij onze gasten even inlaten?
- (overgankelijk) toegang verschaffen aan iets
- Er werd water van het IJsselmeer ingelaten.
Zelfstandig naamwoord
inlaten mv
- meervoud van het zelfstandig naamwoord inlaat