taal

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • taal
Woordherkomst en -opbouw
  • afkomstig van:
Middelnederlands: tale
Oudnederlands: tala
Germaans: *talō
Indo-Europees: *dol-
  • Verwant in Germaans:
West: Engels: tale (Angelsaksisch: talu), Duits: Zahl, (Oudhoogduits: zala), Fries: taal (Oudfries: tale, tele)
Noord: Deens/Noors: tale, (Oudnoords: tala), IJslands/Faeröers: tala
enkelvoud meervoud
naamwoord taal talen
verkleinwoord taaltje taaltjes

Zelfstandig naamwoord

taal v/m

  1. (taalkunde) een systeem van spraakklanken door middel waarvan mensen met elkaar communiceren en de schriftelijke vastlegging hiervan
    • Meneer, welke taal spreekt men in dat land? 
  2. (informatica) een formeel systeem dat door computers wordt begrepen
    • De formele taal van XML Schema, XSD of XML Schema Definitietaal. 
  3. (bij uitbreiding) een communicatiesysteem in het algemeen.
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • [1]: Een taal onder de knie krijgen
Zie knie
  • [1]: Taal noch teken
Geen enkel levensteken
  • [1]: Dat is duidelijke/klare taal
Dat is raak geformuleerd
  • [1]: In alle talen (over iets) zwijgen
Geheel niets willen zeggen
Vertalingen
Zie vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
talen

taal

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van talen
    • Ik taal. 
  2. gebiedende wijs van talen
    • Taal! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van talen
    • Taal je? 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie


Afrikaans

enkelvoud meervoud
naamwoord taal tale

Zelfstandig naamwoord

taal

  1. taal


Fries

Zelfstandig naamwoord

taal

  1. taal


Nedersaksisch

Zelfstandig naamwoord

taal

  1. taal
Synoniemen