taalgrens

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • taal·grens
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord taalgrens taalgrenzen
verkleinwoord taalgrensje taalgrensjes

Zelfstandig naamwoord

taalgrens m v

  1. grens van een taalgebied
    • Tijdens een haastig opgezette strafrechtzaak concludeerde de jury kort na de oorlog dat mijn grootvader als burgemeester van een klein dorp op de taalgrens met de vijand had geheuld. Maar men zag gemakshalve over het hoofd dat hij op die manier honderden Joden naar Spanje en later naar de Verenigde Staten had helpen vluchten. [1] 
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Groeningen, Seppe van Aards Paradijs [2014] ISBN 978-90-295-8919-2 pagina 69