taalbad

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • taal·bad
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord taalbad taalbaden
verkleinwoord taalbadje taalbadjes

Zelfstandig naamwoord

taalbad o

  1. een verblijf in een omgeving waar een vreemde taal gesproken wordt om de beheersing van die vreemde taal te verbeteren
    • „Wie bijkomende ondersteuning nodig heeft, wordt verplicht een taalbad te nemen. Zo remmen ze het niveau van een hele klas niet af”, aldus de bewindsman. [1] 
    • De vmbo-groep van het Van Lodensteincollege is net terug van een bezoek aan Parijs. De leerlingen zagen in de lichtstad twee onderwerpen uit het examen in levenden lijve: de verlichte glazen entree van het Louvre -een herinnering aan president Mitterrand- en de Parijse rage om op skeelers naar het werk te gaan. Van den Hoorn, enthousiast: „Zo’n excursie is een taalbad voor de leerlingen. Heel goed, zo vlak voor het examen.” [2] 
    • Op een pak meel van Albert Heijn staat in kinderschrift dat het meel is en dat dit voor pannenkoeken is. Je hoeft het een kind maar één keer te vertellen. Uit de prijs in kindercijfers kunnen kinderen ook zelf zien dat pannenkoeken veel goedkoper zijn dan minimale kindertoetjes met minimale kinderverrassingen in maximale verpakkingen. Ook dit hoef je kinderen maar één keer te vertellen. Ongemerkt krijgen de kinderen zo een reken- en taalbad waar zij niet aan kunnen ontkomen. In enkele experimentele supermarkten staan inmiddels acteurs achter de kassa. Zij kunnen vaste klanten, die daar prijs op stellen, verrassen met sociale, creatieve en emotioneel lastige situaties. [3] 
Vertalingen

Gangbaarheid

50 % van de Nederlanders;
94 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. De Telegraaf 28 aug. 2013 Minder Vlaamse leerlingen spreken Nederlands
  2. Reformatorisch Dagblad Evert van Dijkhuizen 16-05-2003 Eerst een taalbad, dan examen Frans
  3. NRC Leonard Verhoef 4 mei 2006 De trend: leren lezen en therapie bij de kassa