thuistaal

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • thuis·taal
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord thuistaal thuistalen
verkleinwoord thuistaaltje thuistaaltjes

Zelfstandig naamwoord

thuistaal v/m

  1. de taal die men thuis spreek
  2. de manier van spreken thuis.
    • In dagelijkse situatie volstaat Dagelijks Algemeen Taalgebruik dat is thuistaal. 

Gangbaarheid

74 % van de Nederlanders;
81 % van de Vlamingen.