taalgevoel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • taal·ge·voel
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord taalgevoel -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

taalgevoel o

  1. het vermogen om het juiste gebruik van een taal aan te voelen
    • Hij kon zich niet meer herinneren wat voor regel hiervoor was, maar zijn taalgevoel zei hem dat het "de groene auto" moest zijn. 
    • Tekstdichter Lennaert Nijgh (1945-2002) toont op het legendarische album Voor De Overlevenden van Boudewijn de Groot (1944) in Testament zijn grote verbeeldingskracht, levenswijsheid en poëtisch taalgevoel. In glasheldere zinnen vertelt hij zijn verhaal, waarin een enkel archaïsch woord - gaarne, placht - een subtiel ornament vormt. [1] 
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Meer informatie

Gangbaarheid

Verwijzingen

  1. Spits, Frits De Standaards van Spits [2015] ISBN 978-90-245-6871-0 pagina 50