stamtaal

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • stam·taal
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord stamtaal stamtalen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

stamtaal v/m [1]

  1. de taal van een groep mensen, die niet de officiële taal van een land is
    • Door voor de laatste variant te kiezen, steekt BNN met de nieuwe achtdelige serie Feuten de thermometer weer eens diep tussen de billen van de huidige tijdsgeest. Feuten biedt in feite hetzelfde als Oh Oh Cherso: neuken, zuipen, een eigen stamtaal en eenheid van locatie (hier: een gracht). [2] 
    • Er zijn echter wel vrijwilligers, die vaak al jarenlang trouw hun werk doen. Deze mensen hebben unieke kennis en vaardigheden: ze komen uit de dorpen zelf, spreken de stamtaal en kennen iedereen. Deze stichting werkt echter niet met hen samen en vervangt hen dus in feite. Het gevaar is groot dat deze lokale hulpinfrastructuur verdwenen is als de stichting over een aantal jaren weer vertrekt. [3] 
    • Hóe Gregory, uit een mengeling van medelijden en minderwaardigheidscomplex, zich precies tot ‘goede Zuid-Afrikaan’ ontwikkelt, zou een fascinerend psychologisch drama hebben kunnen opleveren. Het komt vast niet alleen omdat hij als kind Xhosa leerde spreken en een zwarte boezemvriend had. Al is alleen al het feit dat hij een ‘stamtaal’ spreekt voor zijn mede-bewaarders genoeg reden om hem niet voor vol aan te zien. [4] 
  2. taal waaruit andere talen zijn ontstaan
Vertalingen

Gangbaarheid

93 % van de Nederlanders;
91 % van de Vlamingen.


Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. NRC Stine Jensen 1 november 2010 Zuipen, neuken,met geld smijten
  3. Reformatorisch Dagblad Elco van Burg 23-10-2017 Ontwikkelingshulp die pijn doet
  4. NRC Dana Linssen 5 september 2007 Nelson Mandela en zijn bewaker