eentalig

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • een·ta·lig
Woordherkomst en -opbouw
  • Samenstellende afleiding van een en taal met het achtervoegsel -ig
stellend
onverbogen eentalig
verbogen eentalige
partitief eentaligs

Bijvoeglijk naamwoord

eentalig

  1. met maar één taal
    • In het eentalige woordenboek worden de woordbetekenissen gegeven in dezelfde taal. 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie