jargon

Uit WikiWoordenboek

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • jar·gon
Woordherkomst en -opbouw
  • [1,2] Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘groepstaal, vaktaal’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1824. Mogelijk van een klanknabootsende wortel *garg- (verwant met o.a. gorgelen) [1][2]
  • [3] Via het Frans van Portugees zarcão, uiteindelijk te herleiden tot het Farsi zargūn (tevens verwant met zirkoon) [3]
enkelvoud meervoud
naamwoord jargon jargons
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

jargon o

  1. (taalkunde) vaktaal, specifiek taalgebruik binnen een bepaalde groep, vaak moeilijk te volgen voor een buitenstaander
    • Ze bedienden zich van veel onbegrijpelijk jargon. 
  2. (taalkunde) koeterwaals, onbegrijpelijke taal in het algemeen
  3. (materiaalkunde) zirkoonsteen gebruikt als versiering
Synoniemen
Hyponiemen
Vertalingen

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[4]

Meer informatie

Verwijzingen


Engels

Uitspraak
enkelvoud meervoud
jargon jargons

Zelfstandig naamwoord

jargon

  1. (taalkunde) jargon [1], [2]
  2. (materiaalkunde) jargon [3], zirkoonsteen
vervoeging
onbepaalde wijs to  jargon 
he/she/it  jargons 
verleden tijd  jargoned 
voltooid
deelwoord
 jargoned 
onvoltooid
deelwoord
 jargoning 
gebiedende wijs  jargon 

Werkwoord

jargon

  1. onovergankelijk, (taalkunde) zich van jargon [1,2] bedienen, onbegrijpelijk praten







Frans

Zelfstandig naamwoord

jargon m

enkelvoud meervoud
zonder lidwoord met lidwoord zonder lidwoord met lidwoord
  jargon     le jargon     jargons     les jargons  
  1. (taalkunde) jargon [1,2], groepstaal, vaktaal
  2. (materiaalkunde) jargon [3], zirkoonsteen