go

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • go
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord go -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

go o [4] [5]

  1. (spel) Japans bordspel
Hyponiemen

Tussenwerpsel

go!

  1. (Suriname) uitroep waarmee een snelheidswedstrijd wordt gestart
Synoniemen
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

77 % van de Nederlanders;
76 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Engels

Uitspraak
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van het Middelengelse gon.
vervoeging
onbepaalde wijs to  go 
he/she/it  goes 
verleden tijd  went 
voltooid
deelwoord
 gone 
onvoltooid
deelwoord
 going 
gebiedende wijs  go 

Werkwoord

go

  1. onovergankelijk (tweeletterwoord) gaan
    «Where are you going
    Waar ga je naartoe?
  2. onovergankelijk vertrekken
    «It's time to go
    Het is tijd om te vertrekken.
Vaste voorzetsels

to go away

to go on

  • verder gaan

to go out

Synoniemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • as things go
in het algemeen
  • to go absent
afwezig blijven
  • to go blind
blind worden
  • to go missing
teloorgaan
Verwante begrippen
Tweeletterwoorden in het Engels

aaabadaeagahaialamanarasatawaxaybabebibobydadedidoedefehelemeneresetexfafigigohahehihmhoidifinisitjokakilalilomamemimmmomumynanenonuodoeofohoiomonoporosowoxoypapepiqireshsisotatitouhumunupusutwewoxixuyayeyoza


Frans

Uitspraak

Zelfstandig naamwoord

go v

  1. (spreektaal) vrouw, meisje, vriendin
    «T’as jamais de go, t’es pas gay quand même?»
    Je hebt nooit een vriendin, je bent toch niet gay? [1]
Schrijfwijzen

Verwijzingen