taalschat

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • taal·schat
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord taalschat taalschatten
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

taalschat m [1]

  1. de hoeveelheid en kwaliteit van de taal die men tot zijn beschikking heeft om zich te uiten of die men kan begrijpen
    • Christelijke jongeren maken steeds meer gebruik van moderne media, waar de taalverruwing het sterkst openbaar komt. Dan gaat het niet alleen om vloeken in films, maar ook om platte taal op Hyves en MSN. Nieuwsbronnen als Metro, Sp!ts en nu.nl zijn onder meer vanwege het taalgebruik discutabel, maar desondanks populair. Het is onvermijdelijk dat deze media de taalschat van jongeren verarmen en vervuilen. Dat is een reden om zeer selectief met deze media om te gaan of ze gewoonweg te mijden. [2] 
    • Iedereen heeft grotere en kleinere taalklonten in zijn hoofd. Een hoger opgeleide Nederlander kent volgens sommige schattingen zo’n veertigduizend woorden, maar het is duidelijk te simplistisch om iemands taalschat alleen aan zijn woorden af te meten. Ergens in het hoofd van die hoger opgeleide zitten ook taalbrokken als vijftig tinten x. Zoals daar trouwens ook wie denk je wel dat je bent? zit en al zeg ik het zelf en nog talloze vaste verbindingen. Niemand weet hoeveel dat er zijn. [3] 
  2. heel waardevol, mooi, belangrijk taalelement
    • Achenebbisj, wiedeweerga, abominabel, prudent, balorig en navenant. Woorden die vandaag de dag niet veel meer worden gebruikt. Ze zijn ondergebracht in het boek '1000 vergeetwoorden om te koesteren', dat Van Dale heeft uitgebracht. Schrijfster en neerlandica Nelleke Noordervliet, die de samenstelling op zich nam, breekt in het boekje een lans voor deze "vergeten taalschatten" die het volgens haar verdienen om opnieuw te worden omarmd. [4] 
    • Jacques Klöters moet nou eenmaal kletsen, in zijn onstuitbare drang anderen deelgenoot te maken van al die taalschatten. „Ik ben een ouwehoer.” [5] 
Vertalingen

Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders;
95 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Reformatorisch Dagblad 23-05-2008 Taalverloedering
  3. NRC Marc van Oostendorp 11 augustus 2014 Taalbrokken
  4. De Telegraaf 30 okt. 2015 'Vergeten taalschatten' ondergebracht in boek
  5. De Telegraaf MARIE-THÉRÈSE ROOSENDAAL 02 dec. 2016 ’Ik ben een praatjesmaker’