veeltalig

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • veel·ta·lig
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen veeltalig
verbogen veeltalige
partitief veeltaligs s -

Bijvoeglijk naamwoord

veeltalig [1]

  1. veel talen bevattend of kennend
    • Tot twee jaar geleden kregen leerlingen op de Johannes Calvijnschool in Veenendaal vanaf groep 7 Engels. Dat nu ook de jongere groepen Engels krijgen, is vooral te danken aan Wim van den Bosch, teamleider van groep 7 en 8. „Een paar jaar geleden bezocht ik een congres in Hoevelaken over vroegtijdig veeltalig onderwijs. Daar werd benadrukt hoe belangrijk Engels onderwijs is, ook met het oog op de verscherpte exameneisen. Leerlingen mogen vanaf dit jaar geen onvoldoende meer halen voor het vak Engels. Veel van onze kinderen vallen dan door de mand.” [2] 
    • Volgens Hammerstein is de oud-president van plan zich te vestigen in Amsterdam. De veeltalige Saakasjvili is getrouwd met de Nederlandse Sandra Roelofs, uit Zeeuws-Vlaanderen. [3] 
Synoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
91 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Reformatorisch Dagblad Neline Boogert-Floor 09-10-2012 Engelse les voor kleuters
  3. Het Parool 14 FEBRUARI 2018 Ex-president Georgië wil zich vestigen in Amsterdam