Engelstalig

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • En·gels·ta·lig
Woordherkomst en -opbouw
stellend
onverbogen Engelstalig
verbogen Engelstalige
partitief Engelstaligs

Bijvoeglijk naamwoord

Engelstalig

  1. van een persoon dat hij de Engelse taal machtig is
    • De Engelstalige man sprak geen enkele andere taal omdat iedereen wel wat Engels kan spreken en verstaan 
  2. van een land dat Engels de voertaal is
    • Ghana is officieel een Engelstalig land. 
  3. van een tekst dat die in het Engels is geschreven
    • Tijdens mijn studie gebruikten we vooral Engelstalige boeken. 

Meer informatie

Gangbaarheid