gang

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • gang
enkelvoud meervoud
naamwoord gang gangen
verkleinwoord gangetje gangetjes

Zelfstandig naamwoord

gang m

  1. lange, smalle doorloopruimte in een gebouw of ondergronds
    De gang op deze verdieping is zeer smal.
  2. dan wel een kanaal/buis in een lichaam
    Via de gehoorgang staat het trommelvlies in verbinding met de buitenlucht.
  3. (voeding) onderdeel van een maaltijd
    Deze gang vond ik het minst lekker.
  4. beweging, snelheid (ook (figuurlijk))
    We waren bekaf en konden niet meer op gang komen.
  5. (paardrijden) voortbewegingswijze van paarden
    In welke gang gaat het paard het snelst? In rengalop natuurlijk.
  6. het gaande zijn
    Het feest was in volle gang toen het licht uitviel.
  7. (afgelegde) weg
    Het was voor de rechercheur niet eenvoudig zijn gangen te volgen.
  8. (geologie) vulling van een spleet in een gesteente
  9. jaargang
Synoniemen
Hyperoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
Vertalingen

Meer informatie

  • Zie de doorverwijspagina op Wikipedia voor meer informatie.



Engels

Woordafbreking
  • gang

Zelfstandig naamwoord

gang

  1. bende


Indonesisch

Uitspraak
Woordafbreking
  • gang
Woordherkomst en -opbouw
  • [1] van het Nederlandse "gang:" lange, smalle doorloopruimte
  • [2] van het Engelse "gang:" bende

Zelfstandig naamwoord

gang

  1. «gang mobil»
    oprijlaan
  1. «gang buntu»
    doodlopend steegje
  1. «Saya bersama teman-teman gang pasti permainan.»
    Ik ga beslist met hetzelfde clubje naar de voorstelling.
  • [3] in: gang asam (bepaald rundvleesgerecht)
Synoniemen
Verwante begrippen
Afkorting
  • [1.3] Gg


Noors

Uitspraak
Woordafbreking
  • gang
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van het Oudnoorse woord gangr.
Naar frequentie 120

Zelfstandig naamwoord

gang

  1. gang (manier van gaan)
    «Jeg kjenner henne på gangen
    Ik herken haar aan haar gang.
  2. gang, werking (begin van de gebeurtenissen)
  3. gang, loop (verloop van de gebeurtenissen)
Verbuiging
m enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   gang     gangen     ganger     gangene  
genitief   gangs     gangens     gangers     gangenes  
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Typische woordcombinaties
  • [2]: sette noe i gang
iets in gang zetten / iets aanzwengelen
  • [3]: alt går sin vante gang
alles gaat zijn gewone gang


Nynorsk

Uitspraak
Woordafbreking
  • gang
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van het Oudnoorse woord gangr.
  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   gang     gangen     gangar     gangane  

Zelfstandig naamwoord

gang

  1. gang, stap (manier van gaan)
  2. gang, werking (begin van de gebeurtenissen)
  3. gang, loop (verloop van de gebeurtenissen)
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Typische woordcombinaties
  • [2]: setje klokka i gang
de klok in gang zetten