stap

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • stap
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord stap stappen
verkleinwoord stapje stapjes

Zelfstandig naamwoord

stap m

  1. het plaatsen van de ene voet voor de andere bij het gaan
    • Door zijn stap te vergroten ging hij sneller lopen. 
  2. een kleine beweging naar een bepaald doel
    • Het is afwachten tot iemand de eerste stap zet om te komen tot vrede. 
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
stappen

stap

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van stappen
    • Ik stap. 
  2. gebiedende wijs van stappen
    • Stap! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van stappen
    • Stap je? 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[2]

Meer informatie


Verwijzingen