rondgang

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • rond·gang
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord rondgang rondgangen
verkleinwoord rondgangetje rondgangetjes

Zelfstandig naamwoord

rondgang m

  1. het afleggen van een weg die weer naar het punt van vertrek voert
    • Heel het dorp liep mee in de stille rondgang. 
  2. een omwenteling rond een middelpunt
    • De jaarlijkse rondgang van de aarde om de zon. 
  3. het afleggen van bezoeken ter kennismaking of het onderhouden van contacten in een kring van personen, plaatsen, bedrijfsonderdelen enz
    • De net benoemde abt besloot een rondgang door de abdij te maken. 
Synoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen



Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
98 % van de Vlamingen.