feestganger

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

feestgangers op de kermis
Uitspraak
Woordafbreking
  • feest·gan·ger
Woordherkomst en -opbouw
  • Samenstellende afleiding van feest en gang met het achtervoegsel -er
enkelvoud meervoud
naamwoord feestganger feestgangers
verkleinwoord feestgangertje feestgangertjes

Zelfstandig naamwoord

feestganger m [1]

  1. iemand die naar een feest gaat
    • Volgens de politie zal het dodental waarschijnlijk nog verder stijgen. Zaterdag konden autoriteiten de dood van negen personen bevestigen, maar toen al vreesde men voor meer slachtoffers omdat er nog 25 feestgangers werden vermist. Hoeveel vermisten er nu nog zijn, kon de politie niet zeggen, schrijft Reuters. De zoektocht kan volgens de LA Times nog twee dagen duren.[2] 
Synoniemen
Verwante begrippen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. NRC Sam de Voogt 4 december 2016