teruglopen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • te·rug·lo·pen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
teruglopen
liep terug
teruggelopen
klasse 7 volledig

Werkwoord

teruglopen

  1. ergatief verminderen
    • De inflatie liep afgelopen jaar terug. 
  2. ergatief weer naar het beginpunt van een route lopen
    • Hij kocht de krant en liep terug naar huis. 
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.