teruggang

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

teruggang van het Bretons spraakgebied
Uitspraak
Woordafbreking
  • te·rug·gang
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord teruggang teruggangen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

teruggang m [1]

  1. het minder worden
    • Aanleiding voor de vragen zijn opmerkingen van politiechef Oscar Dros van de Eenheid Oost Nederland, die zei dat burgers de komende jaren een teruggang van politiemensen en toenemende vergrijzing van agenten nadrukkelijk gaan voelen. [2] 
    • De regeling is opgetuigd toen de Algemene Nabestaanden Wet werd ingevoerd. Die wet betekende een versobering van de uitkering aan nabestaanden. Om die teruggang te compenseren kwam het ABP met de regeling. De regeling zorgt ervoor dat achtergebleven partners en kinderen een uitkering krijgen tot het nabestaandenpensioen ingaat.[3] 
    • In die laatste gemeente is twee jaar achter elkaar een teruggang te zien van meer dan 40 procent. Aalten en Oost Gelre zaten afgelopen jaar ook rond dat percentage. [4] 
Synoniemen
Antoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
95 % van de Vlamingen.

Verwijzingen