kanaal

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ka·naal
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘kunstmatige waterweg’ voor het eerst aangetroffen in 1376 [1]
  • Van Frans canal en Latijn canalis (pijp, goot, kanaal). Op zijn beurt van Grieks kanna (riet). Verwant met Hebreeuws qane (riet) en Arabisch qanah (riet).
enkelvoud meervoud
naamwoord kanaal kanalen
verkleinwoord kanaaltje kanaaltjes

Zelfstandig naamwoord

kanaal o

  1. (waterstaat) gegraven waterweg, (scheepvaartkanaal)
     Als een slordige s in spiegelbeeld was het kanaal over de stadsplattegrond gekalkt door een dronken ontwerper die sadistisch lachte toen hij zag hoe zijn ingreep de stad zo goed als onbegaanbaar had gemaakt voor de flanerende edelen met hun satijnen schoentjes en die pas de volgende dag, weer nuchter, besefte dat hij geheel tegen zijn bedoeling in een magnifieke waterweg had geschapen die alle delen van de stad op een mooie, trage manier met elkaar verbond.[2]
  2. (waterstaat) een (natuurlijke) tak van een rivier in een rivierdelta
    • De Wolga vertakt in de laatste kilometers voor de uitmonding in een tal van kanalen. 
  3. (elektrotechniek) (informatica) in de informatietheorie een entiteit tussen zender en ontvanger met een bandbreedte via welke het (na bemonstering) mogelijk is een aantal bits per seconde aan informatie over te dragen. (zie communicatiekanaal, radiokanaal, satellietkanaal, televisiekanaal, transmissiekanaal, videokanaal)
  4. in meest algemene zin: een transportmogelijkheid voor materie of informatie
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen


Fries

Zelfstandig naamwoord

kanaal

  1. kanaal gegraven waterweg.