Naar inhoud springen

steeg

Uit WikiWoordenboek
  • steeg
  • In de betekenis van ‘nauw straatje’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1210.[1]
  • erfwoord: Middelnederlands stēge, steech 'straatje, pad, smalle weg', uit Oudnederlands stēga ‘trap’, ontwikkeld uit Westgermaans *stigō- ‘steile weg’, afleiding van het ww. *stīgan-; waarvoor zie stijgen.[2] Evenzo Middelnederduits stēge ‘steile weg, helling’ en Oudhoogduits stega ‘trap’.
enkelvoud meervoud
naamwoord steeg stegen
verkleinwoord steegje steegjes

desteegv/m

  1. zeer smal straatje
     Zo zat ik ook toen in een grote hal op de grond, op mijn gitaar tokkelend en liedjes zingend te midden van de actievoerders in het Maagdenhuis, waar we uiteindelijk via een hoge balk over de naastliggende steeg weer uit vertrokken.[3]
vervoeging van
stijgen

steeg

  1. enkelvoud verleden tijd van stijgen
    • Ik steeg. 
    • Jij steeg. 
    • Hij, zij, het steeg. 
    • Het vliegtuig steeg op van de startbaan. 
     Na het uiteenvallen van de Sovjet-Unie steeg het aantal difteriegevallen explosief in vrijwel alle voormalige Sovjetrepublieken, maar vooral in de Russische Federatie.[4]
     Uit sommige kelen steeg een knollenwalm op.[5]
99 %van de Nederlanders;
99 %van de Vlamingen.[6]