vaart

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • vaart
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord vaart vaarten
verkleinwoord vaartje vaartjes

Zelfstandig naamwoord

vaart v/m

  1. een opgebouwde snelheid
    • De auto vloog met grote vaart de bocht uit. 
  2. een kanaal, een bevaarbaar gemaakte watergang
    • Deze vaart verbindt het dorp met de stad. 
  3. (scheepvaart) het varen, het bedrijven van scheepvaart als beroep
    • Hij zit op de grote vaart. 
  4. reis, tocht
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
varen

vaart

  1. tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van varen
    • Jij vaart. 
  2. derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van varen
    • Hij vaart. 
  3. verouderde gebiedende wijs meervoud van varen
    • Vaart! 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. etymologiebank.nl