voorbijganger

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • voor·bij·gan·ger
Woordherkomst en -opbouw
  • Samenstellende afleiding van voorbij en gang met het achtervoegsel -er
enkelvoud meervoud
naamwoord voorbijganger voorbijgangers
verkleinwoord voorbijgangertje voorbijgangertjes

Zelfstandig naamwoord

voorbijganger m

  1. passant, iemand die ergens voorbij komt.

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be