voorbijganger

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • voor·bij·gan·ger
Woordherkomst en -opbouw
  • Samenstellende afleiding van voorbij en gang met het achtervoegsel -er
enkelvoud meervoud
naamwoord voorbijganger voorbijgangers
verkleinwoord voorbijgangertje voorbijgangertjes

Zelfstandig naamwoord

voorbijganger m

  1. passant, iemand die ergens voorbij komt.