gangpad

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • gang·pad
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord gangpad gangpaden
verkleinwoord gangpaadje gangpaadjes

Zelfstandig naamwoord

gangpad o

  1. een pad voor wandelaars, voetpad
  2. een pad tussen rijen stoelen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
95 % van de Vlamingen.