uitgang

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • uit·gang
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord uitgang uitgangen
verkleinwoord uitgangetje uitgangetjes

Zelfstandig naamwoord

uitgang m

  1. een weg waarlangs men een ruimte verlaten kan
    • De uitgang werd bewaakt door een bewaker. 
     Een van onze gedistingeerde gasten heeft mij ooit gezegd dat de monsters volgens hem niet waren bedoeld om vreemden buiten te houden, maar om de gasten te beletten de uitgang te bereiken. Het was jaren geleden dat hij dat zei, en hij is hier nog steeds. Zijn naam is Patelski. U zult hem ontmoeten.[1]
  2. (taalkunde) aantal letters achter de stam van een woord als vervoegings- of verbuigingselement
  3. (techniek) aansluiting van elektrisch apparaat waar een signaal naar buiten wordt geleid
Synoniemen
Antoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Pfeiffer, Ilja Leonard op Wikipedia “Grand Hotel Europa” (2018), De Arbeiderspers op Wikipedia, ISBN 978-90-295-2622-7, p. 16