schacht

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • schacht
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord schacht schachten
verkleinwoord schachtje schachtjes

Zelfstandig naamwoord

schacht v/m

  1. (holle) buis (koker), in het bijzonder onderstaande gevallen:
  2. een gat dat in de grond gemaakt is om als bron te dienen voor water, olie, gas of andere vloeistoffen
    • Het bedrijf had een schacht gemaakt om aan de olie te kunnen. 
  3. deel van laars dat het been omgeeft
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. etymologiebank.nl