opschieten

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • op·schie·ten
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
opschieten
schoot op
opgeschoten
klasse 2 volledig

Werkwoord

opschieten

  1. haast maken
  2. (ergatief) vorderingen maken
    We zijn niet erg opgeschoten.
  3. (overgankelijk) (scheepvaart) een touw of kabel oprollen
Vertalingen