watergang

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Watergang van een drijvend droogdok

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • wa·ter·gang
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord watergang watergangen
verkleinwoord watergangetje watergangetjes

Zelfstandig naamwoord

watergang m

  1. natuurlijk of kunstmatig kanaal waarlangs water vervoerd kan worden
  2. (scheepvaart) één van de twee holle zijwanden van een drijvend droogdok waarin water kan worden in- of uitgepompt
    • Met de hefkraan op de watergang liet men de nieuwe motor in het scheepje zakken. 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.

Meer informatie