buis

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • buis
enkelvoud meervoud
naamwoord buis buizen
verkleinwoord buisje buisjes

Zelfstandig naamwoord

buis

  1. v/m een hol, cilindrisch voorwerp
    Kun je dat voorwerp even in de buis stoppen?
  2. v/m een onvoldoende
    Evelien heeft een buis voor Nederlands.
  3. v/m een televisie
    Wat is er vanavond op de buis?
  4. v/m (biologie) het onderste deel van een vergroeidbladige kelk of kroon
    Dit deel van de kroon heet een buis.
  5. v/m (militair) een mechanisme dat in de kop van projectielen geschroefd wordt om deze te laten springen
    Snel, schoef die buis even op dat projectiel!
  6. v/m (scheepvaart) een vissersboot
    Ik zie daar een buis vol met haring varen.
  7. o (kleding) een eenvoudig jasje
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
buizen

buis

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van buizen
    Ik buis.
  2. gebiedende wijs van buizen
    Buis!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van buizen
    Buis je?