zijgang

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

een kleinere zijgang
Uitspraak
Woordafbreking
  • zij·gang
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord zijgang zijgangen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

zijgang m [1]

  1. aftakking van een hoofdgang
    • Met één hand als houvast langs de muur, schuifelen we langzaam door de dichte, witte mist. De muur houdt op, een zijgang lijkt het. Fout. De inham is nog geen dertig centimeter diep, ontdekken we als op de tast de gang in willen gaan. [2] 
    • Zo kan het dat er in de zijgangen en dwarspaden van het Kamergebouw een groep onzichtbare parlementariërs huist. Ze treden nauwelijks op in de media en voeren zelden het woord in de plenaire zaal. Ze worden geacht te stemmen, maar niet hun stem te laten horen.[3] 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

92 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.


Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Tubantia 26-06-08
  3. Volkskrant Maartje Bakker Ariejan Korteweg Sybren Kooistra 17 januari 2015