terugkeren

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • te·rug·ke·ren
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
terugkeren
keerde terug
teruggekeerd
zwak -d volledig

Werkwoord

terugkeren

  1. ergatief gaan naar een plaats waar men eerder vandaan kwam
    • Is hij al teruggekeerd? 
    • Schelp drie: Het is niet van de toegestaan een van dezelfde menselijke vreemdeling meer dan de een enkele keer over de zee te brengen. Eenmaal over, altijd over. Nooit meer van de terugkeren.' De Hippo zweeg en zwom weer achteruit.[1] 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Herzen, Frank De zoon van de woordbouwer 1970 ISBN 9062805450 pagina