achteruitgang

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak

(klemtoonhomogram)

Woordafbreking
  • ach·ter·uit·gang
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord achteruitgang achteruitgangen
verkleinwoord achteruitgangetje achteruitgangetjes

Zelfstandig naamwoord

achteruitgang m

  1. uitgang aan de achterzijde.
    De bezoekers van het brandende café wisten via de achteruitgang te ontsnappen

achteruitgang m

  1. het verminderen van de situatie, afname, het komen in een ongunstiger toestand
    De oude tante was weer flink achteruitgegaan, maar leefde intussen nog wel.
Verwante begrippen
Antoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.