loop

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • loop
enkelvoud meervoud
naamwoord loop lopen
verkleinwoord loopje loopjes

Zelfstandig naamwoord

loop m

  1. voorste deel van een wapen
  2. route van een rivier
  3. voortgang.
    • In de loop van de avond. 
    • In de loop van het gesprek. 
     Kritisch te kijken naar wie je bent geworden en te reflecteren op de minder fraaie eigenschappen die er in de loop van de jaren zijn ingeslopen.[1]
     Was Harald ronduit slecht, een duivel in mensengedaante die je zijn eigen ondergang tegemoet moest laten gaan? Een gruwelijke gedachte, maar als je je gedachten de vrije loop liet kon er van alles bovenkomen.[2]
  4. het lopen of hardlopen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
lopen

loop

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van lopen
    • Ik loop. 
  2. gebiedende wijs van lopen
    • Loop! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van lopen
    • Loop je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Tim Voors “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  2. Jan Guillou (vert. Bart Kraamer) “Tussen rood en zwart” (2014), Uitgeverij Prometheus, ISBN 9789044625691
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be